CBR
Naast de strafrechtelijke invordering kan ook het CBR het rijbewijs, al of niet tijdelijk, ongeldig verklaren. Dit gebeurt naar aanleiding van een zogenaamde mededeling door de politie aan het CBR. Het CBR heeft dan reden te twijfelen aan de geschiktheid om een motorvoertuig te besturen. Uit hoofde van zijn taak de veiligheid op de weg te waarborgen, dient het CBR dan te controleren of betrokkene inderdaad geschikt is. Zelfs dus wanneer de officier of de rechter het rijbewijs teruggeeft, kan het alsnog ongeldig worden verklaard. Dit dan niet als straf maar als bescherming van de veiligheid op de weg.
De meeste onderzoeken worden opgelegd in verband met alcohol of drugs, er wordt dan getwijfeld aan de geschiktheid om te rijden. Ook een overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet, gevaarzetting op de weg is een vaak voorkomende reden voor het opleggen van een onderzoek. Dan wordt getwijfeld aan de rijvaardigheid.
In zaken waarin drugsgebruik is geconstateerd, wordt de mededeling vrijwel altijd gedaan. In alcoholgerelateerde zaken wordt die mededeling gedaan in specifieke gevallen, bijvoorbeeld bij een promillage van 1,3 of wanneer iemand binnen vijf jaar meermalen met alcohol wordt aangehouden etc.
Naar aanleiding van de mededeling door de politie, kan het CBR verschillende maatregelen nemen. In het ernstigste geval legt het CBR per brief aan de betrokkene op om een onderzoek te ondergaan naar de geschiktheid om motorrijtuigen te besturen . Een minder ingrijpende maatregel betreft de verplichting deel te nemen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA-cursus). De verplichting om een onderzoek te ondergaan kan door het CBR ondermeer worden opgelegd in geval van een geconstateerd alcoholpromillage van 785 ug/l bij gewone bestuurders, dan wel 570 ug/l in geval van een zogenaamde beginnende bestuurder (iemand die nog geen 5 jaren over zijn of haar rijbewijs beschikt). Tegen zo’n besluit staat binnen zes weken bezwaar open. Wanneer die termijn verstrijkt, kan niet meer worden opgekomen tegen het feit dàt een onderzoek moet worden ondergaan. Het is dan hooguit mogelijk tegen de uitslag van het onderzoek te protesteren. Soms wordt in diezelfde brief de geldig van het rijbewijs geschorst, bijvoorbeeld in geval verdenking van een alcoholdelict met een promillage vanaf 1090 ug/l (bij beginnende bestuurders vanaf 915 ug/l), bij meerdere aanhoudingen voor alcoholdelicten in een bepaalde periode, in geval van het minstens driemaal binnen een jaar veroorzaken van een aanrijding, dan wel bij verdenking van rijden onder invloed van drugs. Vaak mag iemand echter blijven rijden totdat uit het onderzoek mocht blijken dat iemand de geschiktheid om te rijden mist.
Eventueel bezwaar tegen het opgelegde onderzoek schort de verplichting om een onderzoek te ondergaan niet op. Wel gebeurt het regelmatig dat het CBR hangende het bezwaar eventjes wacht met het inplannen van het onderzoek.
In de bezwarenprocedure wordt schriftelijk naar voren gebracht waarom iemand het oneens is met het opgelegde onderzoek. Aansluitend kan er al of niet telefonisch nog een hoorzitting volgen. Gronden voor het bezwaar kunnen niet zijn dat iemand zijn rijbewijs erg nodig heeft voor bijvoorbeeld zijn werk of al jarenlang schadevrij rijdt. Dat zijn omstandigheden die voor het CBR irrelevant zijn. Wel kans van slagen heeft het als kan worden aangetoond dat hetgeen in de mededeling staat, onjuist is.
Het onderzoek valt uiteen in twee delen, een bloedonderzoek en een psychiatrisch onderzoek. Uit het bloed wordt opgemaakt of nog overmatig wordt gedronken. Uit het psychiatrische onderzoek komt, aan de hand van een bepaalde classificatie, of iemand alcoholafhankelijk is en/of sprake is van misbruik van alcohol.
Wanneer de uitslag negatief is, kan binnen twee weken verzocht worden om een nieuw onderzoek. Hiervoor moet worden betaald.
Wanneer beide onderzoeken negatief zijn, moet een jaar worden gewacht, de zogenaamde recidiefvrije periode, voordat met een eigen verklaring een nieuw rijbewijs aangevraagd kan worden.
Ook een onderzoek naar de rijvaardigheid valt uiteen in twee delen, een theoretisch gedeelte en een praktijkexamen. Wanneer het onderzoek wordt opgelegd naar aanleiding van een strafbaar feit, dient de betrokkene de kosten van het onderzoek te betalen. Wanneer dat niet het geval is, worden geen kosten in rekening gebracht voor het eerste onderzoek. In beide gevallen komen de kosten van een eventueel tweede onderzoek wel voor rekening van betrokkene.
Wanneer eenmaal een mededeling is gedaan, is het CBR vrij streng en rigide. Het verdient aanbeveling zich van rechtskundige bijstand te voorzien indien reden is voor het maken van bezwaar.
Voor meer informatie, of als u juridische bijstand wilt van een ter zake deskundig advocaat, kunt u contact opnemen met Cleerdin & Hamer advocaten op telefoonnummer 020-6750756 en vragen naar mr. Fleur Tromp.


